Download Instructions de service
Transcript
nederlands 11. Storingsoverzicht Voor elk onderhoud van de pomp de voedingsspanning uitschakelen en tegen inschakelen beveiligen. Storingen Mogelijke oorzaak Oplossing Pomp start niet De voeding naar de motor is onderbroken. Zekeringen controleren, eventueel heeft een relais de spanningskring onderbroken. Regeling is uitgeschakeld. Regeling inschakelen. Het thermisch relais is aangesproken. Oorzaak opzoeken en verhelpen. Instelling controleren of thermisch relais opnieuw instellen. De zekeringen zijn wegens overbelasting doorgeslagen. Oorzaak opzoeken en zekeringen vervangen. Fase uitval. De oorzaak opheffen en de netaansluiting controleren. De ontbinding contact te hebben gebracht, verkeerd of niet kan worden erkend. Pomp laten afkoelen. Klixon juist aansluiten. Pomp verbinding met het netwerk (hoofdschakelaar, pluggen pull) De motor heeft niet op alle fasen de volle spanning. De zekeringen van de installatie controleren. Het thermisch pakket is op een te lage waarde ingesteld. Instelling testen en eventueel opnieuw instellen. Te lage of foutieve isolatieweerstand van de motor. Voeding naar de motor onderbreken en de isolatieweerstand controleren. De stroomopname is niet gelijkmatig over alle fasen verdeeld. Stroomopname van de fasen controleren. Max. toelaatbaar verschil ±5% van de gemiddelde waarde (zie ook hoofdstuk 7.1.). Waaier verstopt, geblokkeerd of beschadigd. Wanneer de elektrische controle geen uitsluitsel geeft, de pomp uit de schacht halen en controleren of de waaier gangbaar is. Medium is te stroperig. Controleer combinatie motor/pomp Afsluiters in zuig- of persleiding zijn gesloten of verstopt. Afsluiter openen of verstopping opheffen. De terugslagklep is deels verstopt. Terugslagklep reinigen c.q. gangbaar maken. Wanneer een extern contragewicht aanwezig is deze meerdere keren heen en weer bewegen. De zuig- persleiding is verstopt. Met een hogedrukspuit de leidingen spoelen en schoonmaken. De pomp heeft de verkeerde draairichting. De draairichting van de motor controleren en eventueel de draairichting wijzigen (zie ook hoofdstuk 6.4.). De opvoerhoogte van de pomp is te laag. Tijdens het bedrijf van de pomp de totale opvoerhoogte met een manometer controleren. De waarde met de waarde in de technische documentatie vergelijken. Als de pomp al langer werkt en de opvoerhoogte is afgenomen de pomp uitbouwen en op slijtage of verstopping van de waaier controleren. Tussen leidingnet en pompkoppeling is lekkage. Controleren en eventuele schade repareren. Pomp start kort, doch de motorbeveiligingsschakelaar schakelt uit. Pomp geeft niet de gewenste opvoerhoogte. 80